COMMUNICATIE EN LOGOPEDIE
 

Het doel van communicatie is “begrijpen en begrepen worden”

Om hier toe te komen is observatie bij onze kinderen heel belangrijk. Hierbij kunnen we ons drie vragen stellen. Wat wordt er uitgedrukt, hoe wordt er iets uitgedrukt en waarom wordt er iets uitgedrukt.

Bij onze kinderen gaat dit dan ook vooral via ondersteunende communicatie gebeuren.
“Ondersteunende communicatie is eigenlijk niets anders dan gebruik maken van de natuurlijke tendens om meer en andere communicatiemiddelen en symbolensystemen in te schakelen op momenten en in situaties waarin de communicatie meer inspanning, meer uitdrukkelijkheid, meer exactheid vraagt of wanneer de communicatie via de gewone wegen niet of onvoldoende mogelijk is”.

Om in ’t Prieeltje zoveel mogelijk tot communicatie te komen,  gaan we gebruik maken van een aantal strategieën en hulpmiddelen.

Partnerstrategieën

Partnerstrategieën voor het stimuleren van communicatieve interactie zijn 10 strategieën waar we tijdens de interactie met een kind zoveel mogelijk rekening mee moeten houden om tot communicatie te komen.
De verschillende partnerstrategieën zijn :

1. Structureer de omgeving
Richt de omgeving zo in dat communicatie aangemoedigd wordt. Zorg er altijd voor dat het kind ook de mogelijkheden heeft om te communiceren. Alle eventuele communicatiehulpmiddelen moeten beschikbaar zijn en het kind moet ze zo gemakkelijk mogelijk kunnen gebruiken.
Als je bezig bent met het kind, zorg dan dat je zelf zoveel mogelijk in zijn blikveld bent.
Ga het liefst tegenover het kind zitten.
Doe activiteiten die het kind leuk vindt en die passen bij zijn leeftijd en ontwikkeling.

2. Volg de draad van het kind
Let op wat het kind bezighoudt ( mensen of dingen in de omgeving, gevoelens, enzovoort ) en reageer daar op.
Ga zoveel mogelijk in op alle pogingen tot contact. Reageer op de behoeften die het kind laat blijken en op vragen of verzoeken.

3. Stimuleer gedeelde aandacht
Blijf met je aandacht volledig bij het kind vanaf het moment dat er contact is en ga niet in op de storingen vanuit de omgeving zonder het kind erbij te betrekken of zonder de interactie met het kind eerst op een goede manier af te sluiten. Richt de aandacht van het kind op een voorwerp, activiteit of persoon als de situatie daarom vraagt. Doe dit op een niet-dwingende, maar rustige en bij het kind passende manier. Zorg vooral dat er oogcontact is.

4. Schep kansen voor communicatieve interactie
Herken de momenten waarop het kind een communicatiebeurt kan nemen en schep gelegenheden om beurt te nemen in de interactie met anderen ( bijvoorbeeld goedendag zeggen, het kind laten kiezen, spelletjes waarbij je om de beurt wat doet, enzovoort ). Geef het kind steeds een beurt nadat je zelf een beurt hebt gehad. Ga niet speciaal oefenen met het kind, maar geef hem zinvolle communicatiekansen op momenten dat je toch met hem bezig bent (spelen, verzorgen, therapie,...)

5. Verwacht communicatie / interactie die past bij het niveau van het kind
Laat duidelijk merken ( door mimiek, houding ) aan het kind dat je verwacht dat het communiceert. Verwacht communicatie over dingen die het kind weet en begrijpt en die past bij wat het kind motorisch en communicatief  kan.

6. Pas het tempo van de interactie aan (pauzeer)
Communiceer in een tempo dat het kind genoeg tijd geeft om mee te doen. Geef het kind genoeg tijd om te reageren op je eigen communicatie en op dingen die in de omgeving gebeuren. Tel eerst tot tien voordat je opnieuw probeert een reactie van het kind uit te lokken. Geef het kind ook genoeg tijd om zelf initiatieven te nemen. Zorg dat je er zeker van bent dat het kind "uitgepraat" is. Pauzeer ook na een beurt van het kind : wacht een paar tellen voordat je de beurt overneemt.

7. Modelleer de expressieve communicatievormen uit het repertoire van het kind
Laat het kind zien hoe het kan communiceren. Gebruik in je eigen communicatie niet alleen spraak, maar vooral ook zoveel mogelijk vormen die het kind zelf gebruikt of zou kunnen gebruiken om mee te doen aan communicatieve interactie

8. Zorg voor taalinput op het niveau van het kind.
Gebruik taal ( spraak, gebaren, grafische symbolen ) die het kind kan begrijpen. Zorg dat duidelijk is waar je het over hebt (inhoud). Maak geen te lange zinnen en gebruik niet te veel zinnen achter elkaar in één beurt (hoeveelheid). Pas ook de vorm van de communicatie aan aan het niveau van het kind. Gebruik geen ingewikkelde zinnen en zorg dat de communicatievorm die je gebruikt door het kind begrepen wordt. Gebruik bijvoorbeeld geen woorden, gebaren of grafische symbolen, als de betekenis daarvan zonder extra aanwijzingen vanuit de situatie voor het kind niet duidelijk is. Vermijd aan de andere kant een taalaanbod dat onder het niveau van het kind ligt (babytaal).

9. Spoor het kind (stapsgewijs) aan (promten)
Spoor het kind op een goede manier aan ( door houding, mimiek, spraak, aanraken, wijzen, gebaren of handelingen) om een beurt te nemen als hij een kans heeft gemist. Als het kind (na een lange pauze) niet op je aansporing reageert, help haar dan door het stap voor stap steeds iets gemakkelijker te maken. Bijvoorbeeld eerst alleen afwachtend aankijken, dan aanraken, dan een vragend gebaar maken, dan aanwijzingen geven voor de manier waarop ze kan reageren (kijken of wijzen naar het hulpmiddel of een aantal bij de situatie passende gebaren maken) en tenslotte door samen met hem een handeling uit te voeren zoals het maken van een gebaar of het aanwijzen van symbolen.

10. Beloon de communicatiepogingen van het kind
Reageer op alle pogingen die het kind doet om te communiceren. Dit betekent  niet dat je aan alle verzoeken van het kind moet voldoen, maar wel dat je verzoeken serieus neemt en dus reageert. Ga in op de gespreksonderwerpen die het kind aandraagt en neem ook haar reacties op je eigen vragen en andere uitingen serieus.

Bewegingen en gebaren en verbale uitingen

Er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de bewegingen die een kind gebruikt en geluiden ( klanken + toon ) die het kind uit om iets duidelijk te maken. We gaan deze bewegingen ook proberen zo goed mogelijk te inventariseren (vb. als een kind zijn hoofd wegdraait wil dit zeggen dat het niet meer wil eten) en te interpreteren.
Verder proberen we voor een aantal kinderen die de motorische en mentale mogelijkheden hebben het gebruik van SMOG te stimuleren. SMOG staat voor spreken met ondersteuning van gebaren. Het uitgangspunt is dat het gebruik van de gebaren simultaan met de spraak wordt aangeboden. De bedoeling is dat op langere termijn de kinderen een aantal gebaren zelf leren gebruiken om iets duidelijk te maken.

Prentsystemen

Foto’s
Eerst wordt er geprobeerd of een kind ertoe komt om bepaalde voorwerpen of situaties op foto te herkennen. Ook dit kan helpen in de communicatie bvb. door een kind keuzes te laten maken tussen 2 verschillende dingen op foto.

Bètaprenten
Ook het gebruik van Bètaprenten heeft als bedoeling om hiermee keuzes te kunnen aangeven. Dit is echter een stuk moeilijker dan foto’s omdat Bètaprenten abstracter zijn.

Beide prentsystemen worden ook gebruikt om structuur te brengen in een dag of activiteit. Dit bereiken we door op een communicatie bord  bvb. het verloop van de activiteiten en de personen die hier bij betrokken zijn, aan te geven.

Communicatie en technologie

Big Mac 

De Big Mac ziet eruit als een dikke hamburger. Je kan er 1 boodschap mee opnemen die je op een eenvoudige manier vrij snel kan veranderen. Die boodschap kan verschillende functies hebben bvb. een mededeling doen, een vraag stellen,…
De bedoeling hiervan is vooral met een actie ( het laten horen van de boodschap ) een reactie uitlokken.

Mini-Talker

Deze heeft dezelfde functie als de Big Mac maar heeft de mogelijkheid om 2 boodschappen op te nemen en elk met een aparte toets te laten horen. Dit is dus moeilijker omdat het kind een bewuste keuze moet maken tussen 2 verschillende boodschappen.

Computer

Deze actie-reactie en keuzes maken tussen verschillende voorwerpen kunnen ook ingeoefend worden met de computer.
Er zijn speciale kinderspelletjes waar de kinderen naar kunnen kijken en luisteren. De kinderen zien dingen gebeuren zoals bijvoorbeeld de Teletubies die dansen, een beer die een verhaaltje voorleest, een tekening die ingekleurd wordt, doosjes waaruit een diertje tevoorschijn komt, enz…
Deze bewegingen op het scherm worden geactiveerd wanneer de kinderen het toetsenbord, het scherm (= touch – screen ), of een aangepaste drukknop indrukken of aanraken. De kinderen leren gericht kijken en leren het verband leggen tussen hun handelingen ( met handen, armen of hoofd ) en het effect dat ze hiermee verkrijgen op het scherm. Wanneer ze een toets kunnen induwen en ze daar een reactie op het scherm voor terugkrijgen, is het kind gemotiveerd om de handeling terug opnieuw te doen. 

Al  deze vormen van communicatie worden op individuele momenten en in groepsactiviteiten ingeoefend.  De individuele momenten worden vooral gebruikt om nieuwe dingen uit te proberen.  In de groepsmomenten kijken we hoe het kind communiceert met zijn omgeving en proberen we individueel aangeleerde dingen toe te passen.

 

Aurélie Debougnoux