BASALE STIMULATIE
 

Basale stimulatie neemt een grote plaats in in ons aanbod van activiteiten. Maar ook in de andere activiteiten kunnen we ons op een domein van basale stimulatie bevinden, zoals bijvoorbeeld beauty-farm, Veronica Sherborne oefeningen, muziekactiviteit, zwemmen…
Ieder kind komt in aanraking met basale stimulatie alleen de frequentie ervan verschilt van kind tot kind.

Basale stimulatie werd ontwikkeld door Prof. Andreas Fröhlich.
Fröhlich wijst erop dat het niet gaat om een theorie, maar om een “principe van individuele ontwikkelingsondersteuning”.
De theorie is aanvankelijk uitgebouwdvoor kinderen en jongeren met een diep verstandelijke handicap.

In het begin werd basale stimulatie vooral beschouwd als een stimuleringsmethode die tot doel had om via basale zintuiglijke stimulatie bewoners zichzelf, dus hun eigen lichaam, de andere en de omgeving te laten gewaarworden en te ontdekken.

Het hele principe gaat ervan uit dat ook personen met een zeer ernstige handicap, die op het eerste zicht niet reageren op prikkels uit de omgeving, toch niet zo ongevoelig zijn als men zou denken. Mits aangepaste, zintuiglijke prikkels zijn ze zeker te “bereiken”.

Door een intensieve, doch zorgvuldig gekozen, sensorische prikkeling kan de lichamelijke zelfwaarneming opnieuw geactiveerd worden. Via de ervaring van het eigen lichaam wordt het “lichamelijke IK” gestabiliseerd en de eigen activiteit geprikkeld.

Het is via het eigen lichaam dat er een relatie kan ontstaan met de sociale en materiële omgeving zodat er een heel primair uitwisselings-proces op gang kan komen tussen het “ik”, “de andere” en de “wereld”.

Basale stimulatie gaat niet alleen over het aanbieden van prikkels, veel belangrijker is het leggen van contacten op een niveau dat men als “basaal” of elementair kan beschouwen. Daarmee wordt bedoeld, dat ook zonder speciale mogelijkheden, zoals oogcontact, spraak, tekens,enz… het mogelijk is om met mensen te communiceren. Vooral het lichamelijk contact biedt intensieve mogelijkheden. Juist voor verzorgers, die zich een groot deel van hun tijd bekommeren om het lichamelijk welzijn van hun bewoners, biedt dit een kans, om via verzorgingstaken aan te sluiten en in te gaan op de gevoelswereld, op de belevingswereld van personen met een zeer ernstige handicap.

Basale stimulatie is van een stimuleringsmethode dus uitgegroeid naar een basishouding van zorg.

Om personen met een diep verstandelijke handicap in hun totaliteit te benaderen gaat Fröhlich uit van drie ontwikkelingsgebieden: bewegen, waarnemen en communicatie.

Ontwikkelen of leven is een aanéénschakeling van acties die steeds te herleiden zijn tot deze drie gebieden: bewegen en waarnemen in communicatie.

Voorbeeld: Wanneer ik tijdens een verzorgingssituatie zie dat een kind rilt van de kou (waarneming) en ik pas de temperatuur van het badwater aan (beweging) met als resultaat dat de bewoner nadien niet meer rilt maar glimlacht, dan is er sprake geweest van communicatie tussen ons beide.
Wanneer we nu een begeleiding willen geven die aangepast is aan de behoeften en de ontwikkeling van personen met een diep verstandelijke handicap, moet volgens Fröhlich eerst de basis gelegd worden van de actieve waarnemingsmogelijkheden.
Drie waarnemingsgebieden , het somatische, het vestibulaire en het vibratorische waarnemingsgebied, liggen aan de basis van de basale stimulatie.

a. ‘totale’ lichamelijke stimulatie

1. Somatische stimulatie

Via een totaal lichamelijke stimulatie willen we het kind helpen zijn eigen lichaam te voelen en te ontdekken. Mogelijke activiteiten waarin we somatisch stimuleren zijn bijvoorbeeld: verzorgingssituaties, het aanbrengen van wisselhoudingen, voor verschillende ondergronden zorgen, werken met droogdouches, baden.

2. Vibratorische stimulatie

Stimulatie door middel van trilling kan gebruikt worden om de bewoner zijn lichaam bewuster te laten ervaren, doordat we met een trillend voorwerp over zijn lichaam bewegen bv.  de vibrax, het trilkussen. Trillingen worden via de beenderen geleid en dit is een andere gewaarwording dan een meer vlakke aanraking van het lichaam. Anderzijds kunnen trillende instrumenten tegen het lichaam geplaatst worden zodat klank ‘lichaamsgebonden’ , kan ervaren worden.

3. Vestibulaire stimulatie

Diep verstandelijk gehandicapte kinderen vertonen vaak een ernstige bewegings-armoede. Ze zijn vaak niet in staat te staan, te kruipen, zonder steun te zitten of zelfs maar een voorkeurshouding aan te nemen. Veel personen met een ernstige handicap houden steeds dezelfde (liggende) houding aan. Hierdoor worden kansen op nieuwe prikkels aanzienlijk beperkt.

De zwaartekracht wordt nauwelijks ervaren en daardoor gaat het gevoel van ruimtelijkheid verloren. Vestibulaire stimulatie wil aan dit probleem tegemoet komen door doelgerichte houdingsveranderingen en stimulatie van het evenwichtssysteem.
Bvb. : schommels, hangmat, de Bobathbal, wandelen, wiebelkussen, schommelbak, dansen, ballenbad, zwemmen, paardrijden, luchtkussen, fietsen, ritmische bewegingen van armen en benen van het kind, op schoot wiegen, Veronica Sherborne oefeningen …

b.’ Specifieke’ lichamelijke stimulatie

4. Olfactorische stimulatie

Men gaat de smaak en de reukzin stimuleren door uiteenlopende dingen te laten proeven en ruiken.

    • Smaakstimulatie: aanbieden van smaakgewaarwordingen bij kinderen met
      sondevoeding, apart aanbieden van smaken bij gemixte voeding.
    • Bvb. : verschillende soorten desserts, exotisch fruit, snacks, dranken, … laten proeven.
    • Sensomotorisch: bvb. : tandvlees masseren met elektrische tandenborstel, spelletjes met vingers in de mond, fopspenen, materialen om in de mond te steken.
    • Reukstimulatie: aanbieden van geuren in allerlei situaties zoals verzorging,
    • voeding, massages, bloemen ruiken, voeding laten ruiken, …
5. Auditieve stimulatie

Stimuleren van horen naar luisteren en beluisteren bvb. van een gesproken woord, muziek (stem), hartslag geluiden, natuurgeluiden,…
De opvoedster gaat kijken of het kind rustig wordt, of het kind het geluid met de ogen volgt en/of het kind weet van waar de geluidsbron komt. We streven ernaar dat het kind minder angstig wordt bij het horen van nieuwe geluiden of bij het horen van harde of schelle geluiden.
Bvb. : muziekinstrumenten bespelen, liedjes zingen, koptelefoon, kind ligt op de begeleider die geluiden maakt, piepbeesten, gevulde ballonnen, cassette beluisteren, Zube Tube, geluidenorgel, verschillende voorwerpen laten vallen, in snoezelruimte roepen, fluisteren, zingen,…

6. Taktiel-haptische stimulatie

Stimuleren van tasten naar betasten, van voelen naar bevoelend verkennen, eerst van het eigen lichaam, nadien van de begeleider als persoon en later ook van de tastkwaliteiten van de materialen uit de omgeving.
Hierbij gaat men verschillende materialen op de handen of op het ganse lichaam laten voelen. We benoemen ook altijd de materialen die het kind zal gaan voelen of aanraken.
Bvb.: trilvloer, waterbed, voelzakjes,voetmassagebad, vibrax, harde/zachte voorwerpen, warme/koude voorwerpen, brooddeeg, scheerschuim, ballonnen gevuld met water of rijst, trilkussen, voeldozen, infrarood massage-apparaat

7. Visuele stimulatie

Stimuleren van kijken naar zien. De opvoedster observeert of het kind naar de voorwerpen kijkt en eventueel volgt met de ogen. Het visuele is het meest complexe waarnemingskanaal.
Bvb. : met rietjes blazen in een kom water, zeepbellen,bewegende spiegels, discobal, car-wash, knikkerbaan, lichtslang of zaklampen in donkere ruimte, kaarsjes, poppenkast, dia’s, vloeistofprojector, schminken, gevulde plastic flessen, schimmenspel, gekleurde glazen, verven op spiegels, leesboekjes, videofilm bekijken, parachute, glitterstaaf,…

Tot slot nog enkele regels die we in acht nemen bij de activiteiten van basale stimulatie.

    1. De basis voor elke activiteit is dat ze plaatsvindt in lichaamsnabij contact.
    2. We trachten aan de activiteit een rustig verloop te geven met langzame  overstappen zodat het kind deze ten volle kan beleven.
    3. De activiteit moet een aangenaam moment zijn voor zowel het kind als voor de ouder of opvoeder.
    4. Tijdens de activiteit hebben de begeleiders aandacht voor de lichamelijke ontspanning bij het kind, de tonusregulatie en de ademhalingsregulatie.
    5. De begeleiders zullen steeds antwoord geven op signalen van het kind.
    6. De zelfactiviteit van het kind wordt gestimuleerd, dit zowel tijdens het verloop van de activiteit als bij overgangssituaties.
    7. De aangeboden prikkels zijn nabij, intens en selectief. De prikkels kunnen nieuw zijn maar ook de herhaling is belangrijk om bij het kind herkenning en verwachting op te roepen, wat het vertrouwen verhoogt.
    8. Het is belangrijk dat de principes van basale stimulatie geïntegreerd worden in de dagelijkse verzorgingssituaties.

Klaartje Philippe